Tweede praktijkcasus behandeld binnen verzekeringsconvenant

23 juli 2019
Overleg, parktijkcasus behandelen binnen verzekeringsconvenant

© Shutterstock

Partijen in het verzekeringsconvenant hebben samen een tweede casus voor internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen (IMVO) in de verzekeringssector uitgewerkt. Tijdens de sessie werd aan de hand van een praktijkcasus besproken welke positieve impact Nederlandse verzekeraars kunnen inzetten in een internationale sector. Vanuit NGO’s, vakbonden en overheid werd bekeken welke kennis zij daarbij in konden zetten. De werkgroep schreef er een verslag over:

Werkt het een beetje, zo’n convenant?

Geld is macht, klinkt het vaak. Verzekeraars hebben veel geld, en dat beleggen ze. Daarmee kunnen ze dus invloed uitoefenen. Bijvoorbeeld om de bedrijven waarin ze investeren zich maatschappelijk verantwoord te laten gedragen. Om zo te zorgen dat mens en milieu niet worden uitgeput voor snelle winst. Dat er geen geld gaat naar controversiële wapens die in vuile oorlogen worden gebruikt. Ngo’s drammen er al een tijdje over, de overheid ziet het belang ook in en stelt regels op en de verzekeraars hebben steeds meer beleid. Om dat bij elkaar te brengen is er een convenant opgesteld, vol afspraken. Mooi. Maar gebeurt er ook iets mee? Is het een eindpunt, of juist de start van echte oplossingen? Dat laatste.

Een van de afspraken is met de verschillende partijen actuele casussen te bespreken (we noemen in dit artikel geen namen, er wordt in vertrouwelijkheid met elkaar gesproken). Vandaag, in het pand van het Verbond van Verzekeraars, twee casussen: de investeringen in de palmolie-industrie en die in controversiële wapenhandel. De drie bloedgroepen van het convenant presenteren hun kant van het verhaal, hun visie en inzichten, ze bevragen elkaar en geven adviezen. In een opmerkelijk open sfeer. Geen ruzie, geen verwijten. Inhoudelijk, ogen openend.

Stel: je investeert in een bedrijf, en dat levert een goed rendement op. Prima deal. Maar… dat bedrijf behandelt haar werknemers aan de andere kant van de wereld nagenoeg als slaven, drukt boeren van hun eigen land af en geeft geen zier om het milieu. Dan zijn er twee opties, stoppen met investeren óf je invloed gebruiken om de zaak te keren. In Engelse termen: Exclusion of juist engagement.

Jemen, foute wapens en foute handen

Neem de oorlog in Jemen. Een oorlog vol verschrikkingen. Een oorlog waarbij controversiële wapens worden gebruikt. Clusterbommen bijvoorbeeld. Geen verzekeraar investeert daar in. Maar er worden ook conventionele wapens gebruikt, die ingezet worden tegen burgers. Dat is vaak net zo fout. Er zijn verzekeraars die niet investeren in die normale, conventionele wapens. Maar wat nou wanneer je als verzekeraar belegt in een vliegtuigmaker, die gewone burgers de wereld rondvliegt naar vakantiebestemmingen en voor familiebezoek, voor zaken en voor politiek. Geen probleem zou je zeggen. Totdat blijkt dat die vliegtuigmaker z’n omzet voor 30% haalt uit het maken van bommen. Het soort bommen dat gebruikt wordt in Jemen.

Er komt een foto van een meisje voorbij, dat in één klap haar hele familie is verloren. Scholen, ziekenhuizen, wegen, riolen… alles wordt geraakt. Alle strijdende partijen schenden de meest basale mensenrechten, ook de partijen die bij de vliegtuigfabrikant hun wapens en munitie kopen. “Hieraan geld verdienen, kan niet,” zegt een van de ngo’s. Zou het werken om met wapenfabrikanten in gesprek te gaan, is dan de vraag, om in te zetten op engagement? “We zijn niet naïef, niemand verwacht van wapenbedrijven dat ze oorlog voorkomen. En elk land heeft recht op zelfverdediging en dus op wapens. Maar zolang wapenbedrijven niet kritischer kijken naar aan wie ze hun wapens verkopen, is uitsluiting de beste optie.”

Een medewerker van het ministerie van Buitenlandse Zaken neemt over. “Het is binnen de wettelijke kaders okay om militaire goederen te exporteren, maar mensenrechten gaan boven economische belangen. Elke aanvraag wordt getoetst aan tal van criteria. We analyseren daarbij rapporten van de VN, ngo’s en ambassades, we overleggen met bondgenoten en laten soms nader onderzoek doen. Vanwege bijvoorbeeld het Jemen conflict zijn we nog strenger gaan toetsen, het werd Nee, tenzij… in plaats van Ja, mits… en aan landen die wapens hebben gebruikt tegen eigen burgers, willen we niets leveren dat daarvoor kan worden ingezet. Maar soms bewaakt zo’n land ook internationale wateren, waar Nederland profijt van heeft. Lever je dan wel of niet. Wapens voor onderdrukking van burgers, nee, maar zaken als schepen… die kunnen dan wel.”

Dan zijn de verzekeraars aan de beurt. Die beleggen over heel de wereld, in allerlei soorten bedrijven. Je zou maar overal verstand van moeten hebben. “De discussie over investeringen in controversiële wapens werd aangewakkerd in 2007 met een uitzending van Zembla. Het was eerst echt nieuw voor ons. Beetje bij beetje leerden we erover, bijvoorbeeld: wat zijn clusterbommen? Wat we altijd doen: ons aan de wet houden. Er is beleid opgesteld en we voeren intern discussie over hoe dingen beter kunnen. Een ngo vraagt: “Waarom kiest de ene verzekeraar wel en de andere niet voor uitsluiten van conventionele wapens?” Het antwoord: “Zoals gezegd is de productie en de export in principe legaal, iedere democratische regering heeft het recht om zich te verdedigen, en er zijn EU en VN embargo’s waar we ons aan houden. Het is dus een eigen keuze per verzekeraar. We hebben aanvullende processen en informatie om te zorgen dat ze niet in slechte handen vallen. Het is trouwens niet zo dat er geen bedrijven worden uitgesloten: de uitsluitingslijsten van de meeste verzekeraars tellen rond de honderd bedrijven . En ja, zo’n vliegtuigbouwer… dat blijft een discussiepunt, maar bij het zien van dit soort beelden wordt de twijfel steeds groter. En engagement met zulke grote spelers om een kernonderdeel van hun werk te beëindigen, blijkt erg lastig.”

Een paar van de vele punten om verder uit te werken: verzekeraars kunnen meer met elkaar samenwerken, want wanneer je samen druk zet, sta je sterker. Meer informatie uit de overheid zou interessant zijn, bijvoorbeeld over welke regels andere overheden hebben. Maak eigen gouden regels of principes waarom je wel of niet investeert in bepaalde bedrijven.

Palmolie, we kunnen niet zonder, maar…

Dan het tweede en laatste onderwerp: palmolie. Weinigen zullen het beseffen, maar het zit toch echt in ongeveer 50% van de consumentenproducten. In pindakaas, in wasmiddel, in lippenstift. De omstandigheden waarin het gewonnen wordt zijn vaak om te huilen. Zaken die in Nederland lang geleden bevochten zijn, zijn in landen in Afrika, Azië en Latijns-Amerika ver te zoeken. Er zijn juist ellenlange werkdagen, te weinig bescherming tegen gevaarlijke stoffen, steeds weer tijdelijke contracten (vooral voor vrouwen) waardoor je nooit zeker bent en je geen maatschappelijke positie kunt verwerven. Er is corruptie en omkoping. Kinderarbeid en mager loon. Landbouwgrond en cultureel erfgoed gaan verloren. Levens ook, want er vallen doden. Soms door moord. De ngo’s die de casus presenteren hadden zelf ook liever een positiever verhaal verteld.

Maar palmolie is overal. En het is een tak waarin tenminste enige regulering is. Als we met z’n allen overstappen op kokosolie, dan kunnen we van vooraf aan beginnen. En het grote voordeel van palmolie is in ieder geval dat het een efficiënte olie is: veel opbrengst op relatief weinig vierkante kilometers. Dat is met de alternatieven wel anders. Het uitsluiten van producenten en afnemers van palmolie lijkt niet direct een optie te zijn. Engagement kan dat wel zijn, en het werkt. De verzekeraars zijn er druk mee bezig, individueel en collectief met andere institutionele beleggers. Ze zijn zelfs blij met een actie van Greenpeace: Drop dirty palm oil now. “Daarmee zeggen ze dat er ook duurzame palmolie is. We kunnen niet zonder. Landen lijden er onder, dat klopt, maar het levert ook economisch gewin op. We hebben een bedrijf onderzocht met 170.000 werknemers. Een enorme onderneming, met misstanden. We hebben acht doelstellingen geformuleerd: we willen onder andere kunnen controleren waar de palmolie vandaan komt, of er fatale ongelukken zijn, of de mensen die op en rond nieuw te bouwen plantages wonen zijn geïnformeerd en of ze het er mee eens zijn. Soms zegt een bedrijf van wel, maar is de praktijk heel anders. Dat geldt ook voor ontbossing: we gaan satellietbeelden gebruiken om te controleren hoe het echt zit. Kort gezegd: alles moet beter. Bedrijven staan open voor engagement, maar we moeten er bovenop zitten.”

Nederland doet het relatief goed, stelt een medewerker van Buitenlandse Zaken. “Het kan beter, maar vooral landen als India en China moeten meedoen. Die geven veel minder om de manier waarop de palmolie wordt gewonnen, en het zijn gigantische landen met veel inwoners. Het aanbod van duurzame olie is nu notabene hoger dan de vraag. Als Nederland moeten we in gesprek blijven met producerende landen over regelgeving.”

Een verzekeraar wijst erop dat het inderdaad belangrijk is om ook regeringen aan te spreken. “Neem Indonesië. Dat geeft concessies voor grond. Een bedrijf heeft die geweigerd vanwege de negatieve impact op de omgeving. Dan zegt Indonesië: Prima, dan geven we het aan een bedrijf dat het wel wil.”

Genoeg te doen dus. En dan is de middag ten einde. Vier uur lang zijn er feiten gepresenteerd, ogen geopend, keerzijdes op tafel gelegd. De vele aanbevelingen zijn op bijna net zoveel laptops genoteerd en krijgen een vervolg. Laat de mensen die in Jemen in oorlog leven en de werknemers van palmoliebedrijven er de vruchten van plukken.

Betrokken bij het convenant zijn

Deze website maakt gebruik van cookies. Wij gebruiken cookies onder andere om het gebruik van de website te analyseren en het gebruiksgemak te verbeteren.